Onberispelijk

Wanneer men in het oude Israël een zevach, een slachtoffer bracht, dan diende het te gaan om een dier waar niets op aan te merken viel. Was het dier niet tamim, vertoonde het een gebrek, dan zou het offer geen welgevallen vinden bij God.Leviticus 22 vermeldt wat er met een te offeren dier niet aan de hand mocht zijn: het mocht niet blind zijn, of een wond of huidziekte hebben. Ook kneuzingen en verminking maakten het on-geschikt. Het dier moest onberispelijk, gaaf zijn om God welgevallig te zijn.

Tamim -De eerst zeven hoofdstukken van het boek Leviticus worden samen wel de “offerthora” genoemd, de leer, de onderwijzing voor de ver-schillende offers. Ook daar wordt voortdurend gehamerd op het feit dat het offerdier gaaf moest zijn. Een voor-beeld daarvan vinden we in Leviticus 1:3, waar het gaat om een dergelijk dier, van het mannelijk geslacht, een gaaf mannelijk offerdier …korban zachar tamim. Tamim wordt ook gebruikt voor mensen. In Deuteronomium 18 wordt waarzeggerij en het oproepen van de geest van een dode verboden. Wie dat toch doet, zondigt, en zijn houding tegenover God is bedorven, is niet gaaf, niet volkomen meer. Vers 13: ”Gij zult onberispelijk staan tegenover de Heer, uw God - tamim tihjèh im adonai elohècha .   

In Richteren 9:16 lezen we “Indien gij eerlijk en oprecht hebt gehandeld ” im-bé-èmet-oe-ve tamim asiteem”  Deze woorden brengen ons bij de man die ze spreekt: Jotam. Hij houdt een rede tegen de Sichemieten, die de moordenaar Abimelech koning hebben gemaakt. In de naam Jotam komt de verkorte vorm van tamim voor: Jotam: de Heer is onberispelijk, volkomen. Een andere naam van gelijke vorm is Joram: de Heer is verheven. Dat gedeelte “Jo“ is een inkorting van de godsnaam. Bij tamim hoort een zelfstandig naamwoord: tom, “volkomenheid”. In Koningen 9:4 spreekt God tot Salomo en wordt de term be-tom levav ge-bruikt. Indien gij voor mijn aangezicht wandelt zoals uw vader David in volkomenheid van hart.En we zijn nog niet aan het eind van het woordgebruik van de woordstam. Er is tevens een werkwoord ‘tamam’  dat heeft als betekenis: volkomen handelen’. 

Het woord tom, “volkomenheid”, wordt in overdrachtelijke zin gebruikt voor argeloosheid. De betekenis  komen we tegen in 1 Kon. 22. De  koning van Israël, Achab, begeeft zich ver-momd in de strijd tegen Ramot in Gilead. Ook heeft hij beschermende pantserkleding aan. Die twee zaken, zijn vermomming en de pantserkleding doen ons denken aan de uitgebreide beschrijving van de wapenrusting van Goliath. Van top tot teen beschermd en toch geveld door een enkele steen die een zwakke plek in zijn pantser treft. In Gilead gebeurt iets soortgelijks. De vermomming en het pantser van de koning van Israël moeten hem onkwetsbaar maken, maar het helpt niet. Vers 34: “Een man echter spande de boog zonder bepaald doel en trof de koning van Israël tussen de verbindingsstukken en het pantser- le toemá”.Een pijl, afgeschoten in argeloosheid, eigenlijk zonder een bepaald doel voor ogen te hebben. Zomaar afgeschoten.